Normaal doen

Volgens de Canadese schrijver, denker en voormalig politicus Michael Ignatieff is de wereld waarin we leven in tweeën gedeeld: er is enerzijds de norm dat alle stemmen gelijkwaardig zijn en anderzijds de werkelijkheid waarin sommige stemmen luider klinken dan andere. Deze tegenstelling gebruikt hij als startpunt voor zijn zoektocht naar hoe de mondialisering onze ethiek heeft beïnvloed.

Ethiek gaat – naar mijn mening – over de vraag wat goed en slecht is en hoe we moeten handelen voor een zinvol leven. Ignatieff stelt dat de ethiek tegenwoordig op globaal niveau door nieuwe groepen wordt vormgegeven – hij noemt ze ‘entrepreneurs’ en beschrijft ze als volgt:

  • Leidinggevenden van multinationals. Zij staan aan het hoofd van productieketens. In deze wereldwijde ‘geldmaatschappij’ worden vreemdelingen aan elkaar gekoppeld d.m.v. wisselkoersen – bepaald door de machtigen. Deze mondialisering van de markt gaat uitstekend samen met de ‘postimperiale’ norm van gelijkwaardigheid
  • Activisten en ngo’s die streven de geldmaatschappij naar een hoger plan te tillen. Ze zijn hoeders van maatschappelijke middenveld. Ze hebben ervoor gezorgd dat ethisch geproduceerde goederen bij de middenklasse populair geworden zijn. Hiermee wordt het in principe amorele streven naar winst en lagere kosten bemoeilijkt.

In tegenstelling tot wat veel politici en opiniemakers de laatste decennia beweerden – of op zijn minst hoopten – beweegt de wereld zich niet naar één uniforme moderne tijd. De wereld is eerder een strijdtoneel waar wordt bepaald welk beschavingsmodel (Amerikaanse, Chinees, of ander) in het politieke en morele bestel van 21ste eeuw overheersend zal zijn.

Reizend langs vier continenten (door Zimbabwe, Myanmar, LA, Zuid-Afrika, Japan en Brazilië), komt Ignatieff, samen met zijn team onderzoekers, tot de conclusie dat we geen universele ethiek kennen, er is niet een ordenend principe waar alle volkeren op aarde zich aan vast klampen. Wat we wel allemaal delen, wat echt universeel is, is de behoefte van elk mens ertoe te doen. Niet waardeloos te zijn. Te kunnen zeggen: “Ik ben een mens.” Dit vertaalt zich in hele praktische zaken. In gewone deugden, ordinary virtues.

Gewone deugden zijn, aangeleerde, praktische vaardigheden die moreel gedrag en inzicht sturen. En dus geen gemeenschappelijke waarden. Overal ter wereld plaatsen mensen deze deugden in een lokale context. Ze wilden zich niet rechtvaardigen tegenover een algemeen publiek, maar tegenover naasten.
Gewone deugden zijn wat ons samenbindt. Wij mensen hebben weinig aandacht voor het algemene, voor ethische samenhang, maar vooral voor het eigene. Zonder grote ideologie of politiek. Familie en vrienden worden bevoorrecht boven vreemden en andere burgers. We zijn optimistisch zonder teveel te filosoferen over de toekomst. Deugden zijn geen abstractie, maar gewoon wat je doet. Het gaat dan om deugden als vergevingsgezindheid, tolerantie, empathie en veerkracht, waar of wie je ook bent. Het is een lokale benadering van wat we gemeen hebben.

Hier horen we meer dan een echo van de in de media vaak geridiculiseerd slogans als ‘fatsoen moet je doen’ en ‘normaal doen’ van Nederlandse politici. Volgens Ignatieff voelen Nederlandse premiers Rutte en eerder Balkenende dus haarfijn de behoefte van mensen aan.
Een goed voorbeeld is de discussie over diversiteit. Diversiteit wordt in het ‘postimperiale’ Westen als deugd gezien, als hoogstaande waarde, maar in de praktijk leven bevolkingsgroepen naast elkaar en nooit echt met elkaar. En dat tot ieders tevredenheid. Grote, hyperdiverse steden als New York, Londen en Los Angeles kunnen alleen het sociale bouwwerk in stand houden als iedereen een weg omhoog ziet en het rechtssysteem en de politiek tevens neutraal zijn, zodat iedereen gelijk wordt behandeld. Of op zijn minst dat gevoel heeft.
Ignatieff is helder: in grote delen van de wereld wordt diversiteit helemaal niet als deugd gezien.

In een recent interview zegt hij daarover het volgende: “Er is een gekke en enigszins zorgwekkende manier waarop er met diversiteit om wordt gegaan. Progressieve liberalen hebben er de mond van vol, zonder dat het betrekking heeft op henzelf. Zonder bijvoorbeeld zelf in buurten met enige diversiteit te wonen. Het is een eis die aan anderen wordt opgelegd. Het andere bezwaar is dat diversiteit geen deugd op zich is. Diversiteit is een feit. Het wordt een deugd wanneer we ook werkelijk van elkaar leren, wanneer we samenleven met elkaar en iets delen.”

Ignatieff is een liberaal. Zijn belangrijkste les die hij uit dit onderzoek heeft geleerd is dat je niet moet generaliseren. Dat is precies wat een gewone deugd behelst: weigeren om te generaliseren. In zijn eigen woorden: “Ik neem mensen zoals ze zijn. Ik denk heus niet dat alle jonge mensen mooi zijn. Net zomin als ik vind dat mensen met gezichtsbeharing geweldig zijn of alle zwarten verschrikkelijk. Ik neem ze zoals ze zijn en beoordeel ze als individu.
Als je zo over ‘de moslims’ praat als Wilders en Le Pen, ga je voorbij aan het feit dat die moslims individuen zijn. En daarmee schakel je gewone deugden als genade, compassie, gulheid uit. En juist dat is het gevaarlijkste wat Europa op dit moment kan overkomen. Wat overigens niet wil zeggen dat je generositeit onbeperkt moet zijn en je alle migranten moet helpen. Nederland is geen hotel. Deze maatschappij is gebouwd op vrijheid van godsdienst en vrijheid van meningsuiting. Als je hier binnenkomt, dan zijn dit de regels.”

Gewone deugden sluiten naadloos aan bij dit wereldbeeld. De liberale vrijheid beschermt mensen door middel van instituties. Een beperkte overheid, macht als tegenwicht, grondwettelijke rechten, wettelijk gereguleerde markten: dat zijn de instituties waarvan liberale vrijheid gebruikmaakt opdat gewone deugden kunnen gedijen onder vrije burgers.

Politiek is dit geen gesneden koek. Deze liberale vrijheid bevalt socialisten en communisten niet omdat er geen verlossende belofte is. Conservatieven moeten er weinig van hebben omdat de vrijheid van individuen de voornaamste zorg is (en niet behoud van traditie, religie of gemeenschapswaarden). Populisten en bevrijdingsbewegingen hebben moeite met de beperkingen van de democratie, zoals bescherming van de rechten van minderheden.

Maar de echte spanning zit elders. Het besef dat democratische waarden en mensenrechten niet hand in hand gaan. Ze botsen zelfs. Democratische meerderheden wijzen universalistische aanspraken – bijvoorbeeld het recht van vreemdelingen op staatsburgerschap – af in naam van de democratische verdelingen van lokale waarden.  Anders gezegd, vanuit de mensenrechten en internationale wetgeving bestaat er geen bovengrens aan het aantal mensen dat burgers verplicht moeten opnemen. Vanuit het perspectief van gewone deugden ontneemt dit een politieke gemeenschap haar soevereiniteit. De liberaal Ignatieff kiest hier voor de gemeenschap. Om democratisch zelfbeschikkingsrecht geen loos begrip te laten zijn moet de rechten van de staatsburger het winnen van de aanspraken van de vreemdeling. Zelfs in een wereld van mondialisering zullen lokale bronnen van het morele leven – ouders, gezin, kerk, school – de primaire vormende kracht van onze gewone deugden zijn.

Dit zijn geen nieuwe inzichten, maar wel dilemma’s die nog lang bij ons zullen zijn. Als er een waarschuwing in het boek zit, is dat voor te grote dromen, voor rechts en links utopisme. Uiteindelijk is het een pleidooi voor de polder, voor antirevolutionair beleid. Zodat gewone deugden het ritme van het leven bepalen. En niet utopieën of beloftes tot verlossing.

Ignatieff houdt een erudiet pleidooi voor een moreel individualisme. Zijn belofte is dat als die morele deugden werken, je jezelf niet hoeft te rechtvaardigen volgens de een of andere universele standaard. Dan put je je rechtvaardiging uit je familie, je buurt, je vrienden. Je morele doel is de boel draaiende te houden en te voorkomen dat de situatie uit de hand loopt.
Het zou in het gisteren gepresenteerde regeerakkoord van Rutte III kunnen staan.

Gewone Deugden – Michael Ignatieff, 256 p – Cossee, 2017