Geef ons Europese oppositie!

Een van de belangrijkste inzichten van Luuk van Middelaar uit zijn tijd als speechwriter van Herman van Rompuy, is dat de Europese Unie voor lidstaten werkt als een reflectie van hun specifieke angsten en verlangens. Ieder land heeft zijn eigen beeld van Europa. Voor Nederlands is dat de vrije markt, voor Frankrijk staat Europa voor de hoop op wedergeboorte. De Duitsers associeren de Unie met verlossing, terwijl voor Spanje de EU de terugkeer naar de democratie symboliseert.

De Unie moet nu echter kleur gaan bekennen, ze kan niet langer laveren tussen verantwoordelijks- en getuigenissenpolitiek. De migratiecrisis, met de oranje reddingsvesten op de Griekse stranden, betekende de grote doorbraak van Europa als realpolitiker. Met de verkiezing van Trump is ook Duitsland uit zijn geopolitieke coma wakker geschrokken. Europa zal, net als machtsblokken Amerika en Rusland, voor de overwinning moeten gaan spelen. De vrijblijvendheid is voorbij.

Europese leiders hadden tot voor kort een helder – en star – axioma: het vervlechten van economische belangen garandeert vrede en welvaart. Economische integratie zou als vanzelf leiden tot een dankbare bevolking. Quod non, zo leren we van Britten. De uitslag van het Brexit-referendum laat zien dat men liever controle over immigratie en eigen wetten heeft dan economische groei.

Niet langer gaat men er van uit dat Europa maar éen kant op beweegt: meer landen, meer beleidsterreinen, in een steeds hechter verbond. Dat is een zegen. Het starre geloof dat het Ware Europa tegen de lidstaten moet worden gebouwd in plaats van met hen is contraproductief en uiteindelijk zelfvernietigend. Deze houding wakkert de publieke scepsis slechts verder aan.

De Unie lijdt aan het TINA syndroom, There Is No Alternative. Van Middelaar heeft het over de idee van ‘nog niet’ – de mantra dat de EU steeds verder evolueert richting een vaag doel en dat elke hick-up slechts een tijdelijke onderbreking is van dat proces. En juist dit open einde, geen grenzen durven stellen, geen debat, dreigt de EU te nekken. Bij gebrek aan klassieke oppositie, krijgt principiële oppositie (“weg met de EU!”) vrij spel.

Regelmachine Europa zal aan nieuwe politiek moeten gaan doen. Dat gaat met horten en stoten, druist geregeld in tegen de bureaucratische inborst van de Europese instellingen en is niet zonder gevaar. Maar het moet – wil de Unie overleven. Belangrijkste is wellicht dat er ruimte wordt gemaakt voor echte, klassieke, oppositie. In lijn met denkers als Hannah Arendt en Claude Lefort, stelt Van Middelaar dat een gezonde democratie ook weerwoord en debat organiseert. Hoe kan oppositie een plek krijgen in de Brusselse regelmachine? Hoe kan het publiek het beste betrokken worden?

Het Europees parlement vervult die rol (nog) niet. Niet alleen vanwege het ontbreken van een tegenwicht in de vorm van een regering, maar ook omdat bijna alle europarlementariërs voor Europa zijn. Herkenbare constructieve oppositie zal (voorlopig) elders gezocht moeten worden.

Het antwoord van Van Middelaar is de leesbaarheid van het proces van Europese besluiten en politiek helder te maken. Hiervoor moet een nieuwe taal worden gevonden, die woorden geeft aan de veranderde omgangsvormen met het publiek. Dit betekent ook dat Europa meer strijd en lawaai zal kennen. Om te handelen moet de Unie daar niet bang voor zijn. De eerste tekenen van deze nieuwe vorm van leiderschap, deze nieuwe politieke  taal, zijn reeds te ontwaren. De migratiecrisis en de Brexit hebben de nationale regeringsleiders in een leiderschapsrol geduwd, ten koste van de Commissie. Dergelijke crises zijn nu chefsache. Hiermee wordt alvast de herkenbaarheid van dergelijke besluiten groter, en daarmee groeit het draagvlak bij de gewone Europeaan. Een goed begin van wat ongetwijfeld een lange en lastige weg zal zijn.

Luuk van Middelaar, De Nieuwe Politiek van Europa, 371 p., Historische Uitgeverij, 2017