We moeten ons grote zorgen maken

Een boek waar ik wakker van heb gelegen. Hoewel de toon luchtig is en er veel valt te lachen, is er maar een conclusie te trekken uit dit dappere journalistieke project: we moeten ons grote zorgen maken. Midden in onze maatschappij leven grote bevolkingsgroepen niet alleen langs elkaar heen, maar komen ze ook steeds verder van elkaar te staan. Het vertrouwen in de Nederlandse samenleving is daar minimaal wat, bij ongewijzigd beleid, niet snel zal veranderen.

We hebben getto’s in Den Haag, Rotterdam en Amsterdam laten ontstaan, waar niet de Nederlandse wet leidend is, maar de islam. Waar de inwoners met de rug naar de samenleving staan. Waar haat jegens de Nederlandse democratie diepgeworteld is. Waar wordt gesproken in wij-zij; waarbij ‘wij’ de eigen (doorgaans moslim-) gemeenschap is en ‘zij’ ‘de Nederlanders’.
Zoals de auteur, Maarten Zeegers, stelt: het zijn wijken die net Marokko zijn, maar dan met grootstedelijke problematiek en slecht weer. Na de rellen in Transvaal van 2015,is de vergelijking met de gewelddadige Parijse banlieus ook niet meer vergezocht.

Er is kritiek geweest op de methode van Zeegers – drie jaar lang veinzen dat je moslim bent in plaats van journalist. Het zou onethisch zijn. Niet journalistiek. Achterbaks. En geen extra inzichten opleveren. Je maakt mij echter niet wijs dat een antropoloog of openlijk opererend journalist een dergelijke rijkgeschakeerd insidersverhaal had kunnen optekenen. Ik heb die verhalen in ieder geval nergens gelezen. Om goed te beschrijven hoe de inwoners opgaan in hun eigen cultuur is ‘een van hen zijn’ simpelweg een enorm voordeel.

Dat er interne oorlog in de islam woedt, tussen de verschillende stromingen, is breed bekend, maar hier wordt het tastbaar gemaakt door middel van de gesprekken in de lokale snackbar.
Hoe de Turkse overheid macht uitoefent over Nederlanders lezen we in beschrijvingen van de activiteiten van de Grijze Wolven. Ook voel je het fanatisme van de nieuwe generatie binnen de Marokkaanse gemeenschap. Zij kiezen – vaak tot verdriet van hun traditionele ouders – steeds vaker voor het fundamentalistische salafisme. Turkse jongeren zijn overigens minder vatbaar voor deze lokroep, omdat ze een sterkere ban met het land van herkomst hebben, waardoor ze een groter cultureel en historisch bewustzijn hebben opgebouwd.

Maarten Zeegers lijkt wel gek om met zijn vrouw, nota bene uit Syrië, tussen zoveel ellende te zijn gaan wonen. Hij verkeert dagelijks te midden van criminaliteit en achterdocht (die dus deels verdwijnt zodra hij pretendeert moslim te zijn). Het moet erg ingewikkeld zijn om continu om te gaan met mensen die niet geloven dat Bin Laden achter 9/11 zit, zoals in Transvaal het geval is.

Ook al staat op de cover dat het gaat over undercover gaan bij ‘de moslims’, in zijn boek komt wel degelijk het brede, diverse pallet aan stromingen aan bod. Alawieten en Alevieten betwisten elkaars bestaan, maar niet in dezelfde mate als ze soennieten doodwensen. Alevieten, de aanhangers van de mystieke stroming binnen het sji-isme, willen niets met de islam te maken hebben. Om de complexiteit verder te vergroten zien sommigen onder hen zich juist weer als de ware aanhangers van de islam. Dat de bekendste Alawiet Bashir al-Bashar, de Syrische president- moordenaar, is, maakthet niet eenvoudiger om de emoties te temperen.
Ook in Den Haag wordt het zo zonneklaar dat de Islam niet bestaat.

Zo snel als Zeegers, in vermomming, wordt opgenomen in de gemeenschap, zo plots is hij er ook weer uit. Na de rellen van 2015 wordt het hem te heet onder de voeten en besluit bij weer terug te keren naar zijn normale leven.
Inmiddels wonen zijn vrouw Sarah en hij op een geheime locatie, want ook dat is inmiddels de realiteit. Ongestraft een dergelijk boek publiceren is niet mogelijk. Dat feit alleen al zou ons grote zorgen moeten baren.