De Grote Kloof

Waarom stemmen zoveel Amerikanen tegen hun eigen belang? Hoewel deze vraag al vaak onderzocht is, is ze nu na de verkiezing van Trump en kiezersmanipulatie via social media weer relevant. De linkse hoogleraar Arlie Russel Hochschild (Berkeley) gaat in dit boek verder waar de meeste onderzoekers ophouden: ze gaat daadwerkelijk tussen haar onderzoeksgroep wonen (5 jaar!), sluit vriendschappen, verdiept zich in hun leefwereld en voert eindeloos veel gesprekken. Epicentrum is een plek die zwaar lijdt onder de milieuvervuiling en aardbevingen van de zware industrie: Bayou Corne, Louisiana.

De Amerikaanse politiek wordt gedomineerd, zo niet gecorrumpeerd, door het grote geld en belangengroepen. Dat is echter niet een afdoende verklaring voor het contra-intuïtieve stemgedrag van miljoenen arme Amerikanen – ook wel de Grote Paradox genoemd. De belangrijkste conclusie van de auteur na haar verblijf in het hart van rechts Amerika: iedereen heeft een diep verhaal, dat leidend is voor politieke keuzes. Het diepe verhaal wordt door gevoelens gestuurd en spreekt in symbolische taal. Daar kunnen geen feiten tegenop. Dit verhaal maakt duidelijk hoe dingen voelen.

Deze gevoelens worden als het ware zelf een soort regels. Een van de belangrijkste van deze gevoelsregels is dat ‘rechts’ bevrijd wil worden van linkse, vrijzinnige ideeën over wat ze moeten voelen. Zoals blij moeten zijn voor een pas getrouwd homostel, meeleven met een Syrische vluchteling of zonder morren belasting betalen. Voor Amerikaans links (liberals) zijn dit logische en prettige gevoelens, voor Amerikaans rechts symboliseren ze iets heel anders: een rechtstreekse aanval op de emotionele kern van hun rechtse geloof. Links geeft rechts als het ware een standje en legt uit hoe ze zich moeten voelen.

De Tea Party is de beroemdste uiting van dit diepe verhaal: het is dan ook meer een cultuur dan een politieke groepering. Belastingen, geloof en eer zijn de centrale geloofsartikelen van rechts Amerika. Maar deze trits is in het moderne Amerika geen zekerheid meer. Tea Party aanhangers voelen zich bedreigd door het verlies van hun culturele thuis, hun plek in de wereld. De titel van het boek verwijst er ook naar: zij zijn niet veranderd, de wereld om hen heen is veranderd.

Tijdens de gesprekken die Hochschild voert met de bewoners van de dorpen en steden in Louisiana valt haar op dat vrijheid bijna zonder uitzondering wordt geïnterpreteerd als vrijheid om iets te doen (dragen van een geladen geweer, bellen achter het stuur), terwijl vrijheid als in vrijwaring van negatieve zaken ( wapengeweld en vervuiling) geen issue is. Net zoals armoede nagenoeg geen rol speelt in de lokale politiek, niettegenstaaand het feit dat Louisiana de een na armste staat van de VS is. Alles draait om vrijheid, om geloof en om eergevoel.

De Grote Paradox komt ook terug bij het onderwerp milieuvervuiling. Het onderzoek van Hochschild en haar collega’s toont aan dat in districten met een hogere blootstelling aan giftige vervuiling – zoals die in Louisiana – de kans groter is dat de mensen van mening zijn dat Amerikanen zich te ongerust maken over het milieu. En dat er al meer dan genoeg aan gedaan wordt. Ook is de kans groot dat deze mensen Republikeinen zijn. Deregulering – vrijheid – is voor hen het belangrijkste, de gevolgen zijn secundair. En politici die minder regels beloven krijgen de meeste stemmen. Het cynische gevolg van dit stemgedrag is dat hun geliefde wateren en bossen (waar ze vissen, zwemmen, vogels kijken) naar de knoppen gaan.

Het is ook een kwestie van status: hoe minder afhankelijk van de overheid hoe hoger je status. De Tea Party zegt in feite: ik sta boven de overheid en al haar diensten. De overheid wordt niet gezien als brenger van oplossingen, maar verdient juist minachting. Om een aantal belangrijke, deels gepercipieerde, redenen: zij verdringt het gemeenschapsgevoel, zij neemt de individuele vrijheid af, zij beschermt haar burgers niet, ambtenaren zijn profiteurs en de federale overheid is onbetrouwbaar, want ver weg. 
Maar het allergrootste bezwaar tegen de overheid gaat dieper. Dat is het gevoel dat de federale overheid geld afpakt van mensen die werken en het geeft aan luie mensen. Oftewel: geld van mensen met een goed karakter wordt overgeheveld aan mensen met een slecht karakter. Dit is de kern van de boosheid en wordt krachtig geïllustreerd door het beeld van de rij, waarin je geduldig staat te wachten. De metafoor van de rij doe ik het meeste eer aan door delen hieronder te parafraseren.

Je staat in de rij. Het duurt wat lang, maar dat geldt voor alle wachtenden, die allemaal op je lijken: blank, man, christen, ouder. Aan het einde wacht de American Dream. Daarvoor staan we allemaal in de rij.
Als je omkijkt zie je mensen die er iets anders uitzien: arm, jong, oud, vaak zonder opleiding, maar vooral gekleurd. Je gunt ze het beste, maar je bent moe en je hebt lang gewacht. Jij bent aan de beurt voor de American Dream. Jij hebt immers tegenslagen overwonnen en nooit geklaagd.

Maar de rij lijkt stil te staan. Sterker nog, de rij lijkt nu zelfs achteruit te gaan. Je hebt al jaren geen loonsverhoging gekregen en je weet zeker dat dat de komende tijd ook niet gaat gebeuren. Je hebt je opgeofferd, je bent dapper geweest en toch lijk je nu vast te zitten. Je komt niet meer vooruit. Sommige zaken geven gelukkig nog houvast: je huwelijk, je geloof, je gemeenschap. En nu vertellen die linkse types ook nog dat dat het ‘verkeerde’ wereldbeeld is.

En dan –  kijk – er wordt voorgedrongen! Waardoor de rij daadwerkelijk achteruit gaat. En de mensen die voorkruipen zijn in grote meerderheid zwart of vrouw of homo of vluchteling. Ze worden geholpen door de federale overheid. Het is niet eerlijk! Neem nou Obama, hoe kan hij dan zo hoog zijn opgeklommen? Is dat wel eerlijk? En als hij het kan, wat voor sukkel ben jij dan wel niet? Ambtenaren, vrouwen: hetzelfde liedje. Hoe kunnen die meer betaald krijgen, terwijl ze minder werken? En die Mexicanen in de rij werken dan misschien wel hard, maar vragen minder geld, zodat jouw baan in het gedrang komt. Er zijn tienduizenden Syrische vluchtelingen door Obama het land in gelaten, sommige verschijnen nu in de rij voor je. Je hebt gehoord dat 90% terrorist is.

Iedereen kruipt voor – terwijl jij het land hebt groot gemaakt. Dat stoort je. En je vindt dat je gelijk hebt. Dat beamen je vrienden en dat wordt bevestigd op televisie, op Fox.
Normaal gesproken leef je met anderen mee, maar nu word je gevraagd mee te leven met de voorkruipers. Er zijn grenzen. Die moeten nu maar eens worden gesteld. Je hebt het zelf al moeilijk genoeg gehad, en je klaagt er niet over. Maar die mensen zijn niet zonder hulp zover gekomen, ze hebben bij het voordringen hulp gekregen van Obama.  Barack Hussein Obama. Hij staat aan hun kant. Hij is hun president. Er zit sowieso een luchtje aan die man, met zijn koranschool, zijn veel te kleine vlaggetje op zijn revers – hij lijkt helemaal niet trots op Amerika.

De rij die naar de American Dream moest leiden, is verworden tot een vreselijke frustratie.

Dit vastzitten is echter niet alleen gevoel, het correspondeert met de werkelijkheid. De Amerikaanse droommachine is tot een halt gekomen. Klasse en ras spelen daarin een vaak verborgen, maar toch prominente rol. Hochschild noemt het een ‘niet-verklaarde klassenoorlog’. Die oorlog wordt manifest in het vermoeiende, ergerniswekkend en uiteindelijke woedendmakende wachten op de American Dream. Een oorlog die resulteert in een diepgevoelde haat tegen de bondgenoot van de ‘vijandelijke’ voorkruipers – de federale overheid.

De hoofdpersonen uit het boek, de wachtenden in de rij, hebben een hekel aan andere mensen die de overheid nodig hadden. En dus willen ze ook niet dat de overheid hun helpt – zelfs niet als hun rivieren daardoor vergiftigd raken.

De crisis van 2008 in combinatie met de vergaande automatisering betekende voor de onderste 90% van de  Amerikanen de nekslag. Cijfers wijzen uit dat voor iedereen geboren na 1950 het niet meer vanzelfsprekend is dat hij vooruit komt. Stilstand is langzaamaan de norm geworden. En die stilstand treft deze mensen op een kwetsbaar moment: nu ze 50, 60, 70 jaar oud zijn. Het wordt steeds meer een worsteling om gezien en gewaardeerd te worden.
Comes in Tea Party, comes in Trump.

Er zijn drie ontwikkelingen die de Tea Party schragen. Hoewel de Verenidgde Staten niet onbekend zijn met opstanden is er geen revolutionaire beweging zo sterk gericht geweest op het terugdraaien van progressieve hervormingen en het ontmantelen van de federale overheid. Deze relatieve heftigheid van de Tea Party is volgens Hochschild terug te voeren op twee cruciale periodes: de jaren zestig van de 19e eeuw en de jaren 60 van de 20ste eeuw. De eerste periode betekende de overwinning van het noorden op het feodale zuiden, met zijn rassenscheiding, waarin de arme blanke boeren werden platgedrukt tussen aan de ene kant de plantagehouders die hun grond afgepakten en aan de andere kant de permanente onrust van de getraumatiseerde zwarte bevolking. Honderd jaar later was als een deja-vu: weer het moraliserende vingertje, de Jim Crow wetten, de activiteiten voor burgerrechten. En weer: mensen uit het Noorden, die hun manier van leven veroordeelden.

De overheid, zeker vanaf Kennedy en Johnson, hielp in toenemende mate gemarginaliseerde groepen hun plek in de samenleving te bemachtigen, ten koste van de oudere blanke man. De identiteitspolitiek was geboren.

In die jaren zestig van de vorige eeuw had oudere blanke man een dilemma: aan de ene kant wilde hij ook mogen profiteren van op specifieke groepen gerichte beleid, aan de andere kant belemmerde zijn politiek-filosofisch overtuiging dat hij zich als slachtoffer zou opstellen en om hulp zou vragen. Terwijl het het daadwerkelijk zo was dat ze steeds slechter af waren.

En toen was daar de Tea Party kwam met een dubbele belofte: financiële bevrijding van belasting en emotionele bevrijding van de linkse kritiek en haar gevoelsregels. Door de samenkomst van drie elementen was de weg vrijgemaakt voor Trump – zeker onder de bevolking van het Zuiden:
– Bijna iedereen in het Zuiden voelde zich sinds 1980 economisch erg onzeker, waardoor van discussies over herverdeling en solidariteit geen sprake kon zijn
– Ze voelden zich in culturele zin gemarginaliseerd: hun gedachten over zaken als man-vrouw verhouding, homorechten en wapenbezit werden in de landelijke media steevast belachelijk gemaakt
– Ze voelden zich deel van een demografische groep die steeds kleiner werd: blanke christenen.

Het diepe verhaal lag er, Trump hoefde er alleen maar een lucifer bij te houden. Trump snapt die emotie, Trump is emotie. Trump was de emotiekandidaat. En Trump is de emotiepresident.

 Tijdens de campagne bracht hij mensen weer bij elkaar: plots was er weer het gevoel deel uit te maken van een grote, eensgezinde groep. Dat was een extatische ervaring.
En – wellicht belangrijker – Trump sloopte het taboe op wat uiterst rechts als politiek correct zag: het diepe verhaal was wel waar! Links had ze al die tijd verteld dat ze dat niet mochten voelen. Dat het weer mocht, dat je dit weer kon zeggen, dat het gezegd werd: dat was een bevrijding. Trump zorgde ervoor dat ze zich niet meer geminacht voelden, ze mochten zich weer echte Amerikanen voelen – plots superieur aan de mensen die al die jaren zo neerbuigen waren geweest. Ze hadden hun eigenwaarde herwonnen. Ze voelden zich niet langer vreeemdelingen in eigen land.

Amerika heeft met de verkiezing van Trump aan waarheid gewonnen; een diepe verdeeldheid en een groot wantrouwen naar ‘het andere kamp’ is blootgelegd. Een ding is zeker: van de beide grote partijen, noch van hun leiders, zal de oplossing komen.

Hoe lang Trump ook president blijft, zijn erfenis zal zijn dat de echte politieke kloof niet meer loopt tussen Republieken en Democraten, maar tussen het establishment en het anti-establishment. Een leider die geloofwaardig is voor beide kanten, die de zorgen van Louisiana serieus neemt, zonder overboord te gooien wat Amerika in al die jaren heeft opgebouwd, heeft de toekomst. Zolang de huidige leiders blijven zitten waar ze zitten en de rotte structuren blijven stutten is die toekomst echter nog ver weg.

Vreemdelingen in hun eigen land, Arlie Russel Hochschild –  424 p, Amsterdam University Press, 2017