Een zeldzaamheid in Nederland: politieke memoires

Het is slecht gesteld met politieke memoires in onze polder. Dit in tegenstelling tot veel andere landen. In Amerika is het een uiterst populair genre. Memoires van presidenten, senatoren maar ook CIA-directeuren zijn daar geheide bestsellers. In landen als Frankrijk en Engeland lijken politici – ook nog actieve – soms niets liever te doen dan al schrijvend reflecteren op hun werk en leven. Zo heb ik ooit de boeiende memoires van vrij onbekende de Franse minister van Landbouw, Bruno Lemaire, gelezen. Hij wil nu president worden; een dergelijk boek geeft dan juist profiel en de kiezer meer inzicht en – wie weet – begrip.

Helaas is de Nederlandse politiek uiterst onproductief als het gaat om het afscheiden van boeken. Het is niet zo dat we weinig politici hebben gehad. Sinds 1813 zijn er zo’n 3000 politici geweest die iets hadden kunnen toevertrouwen aan het papier. In die ruim 200 jaar zijn er zo’n vijftig boekwerkjes van Kamerleden en ministers uitgegeven die voor memoires kunnen doorgaan. Een per vier jaar: een magere oogst, to say the least.

Het laatste decennium zijn er volgens mij, naast een trits politieke boekjes die vooral als campagnemateriaal moesten dienen, alleen van de hand van oud-ministers Zalm en Bot politieke memoires verschenen. Femke Halsema schaart zich nu ook in dit rijtje. Halsema denkt zelf dat het gebrek aan memoires komt doordat de Nederlandse politiek-bestuurlijke elite klein is en dat niemand zich kan permitteren vijanden te maken. De kans is immers groot dat je elkaar later nog nodig hebt.

Halsema kan in ieder geval vrijuit schrijven, haar afscheid van de politiek is definitief. In haar boek Pluche blikt ze terug op 12 jaar lidmaatschap van de Tweede Kamer, waarvan het grootste deel als fractievoorzitter van GroenLinks.

Het is een openhartig boek geworden, dat als voordeel heeft dat het een vrij recente periode beschrijft, met veel heftige gebeurtenissen. Voor mij was een groot deel van het boek zeer herkenbaar, aangezien ik een aantal van die jaren zelf in de Tweede Kamer werkte.
Halsema was Kamerlid ten tijde van de moorden op Fortuyn en Van Gogh. Ze zat eerste rang toen Verdonk ten koste van Ayaan Hirsi Ali haar imago van Iron Lady wilde bekrachtigen en heeft alle kabinetten Balkenende zien vallen. Ondertussen probeerde ze GroenLinks te veranderen van linnen-tasjes-links naar vrijzinnig links. Een dappere en bewonderenswaardige ambitie, die – in ieder geval op korte termijn – is geslaagd.

Het boek lijdt echter aan hetzelfde euvel als GroenLinks: een echte kijk op de macht is er niet bij. Hoewel Halsema door menigeen (met name bij DWDD) werd geprezen als mogelijk nieuwe premier, heeft de ze Kamer verlaten met hetzelfde aantal zetels als toen ze het overnam van Paul Rosenmoller: tien. Dit aantal is niet genoeg gebleken voor deelname aan een kabinet, al leek het met PaarsPlus bijna te gaan gebeuren. Het boek is dan ook vooral een beschrijving van de moeilijkheid om een partij te hervormen, de enorme impact die het zijn van politicus op je gezin heeft en schets van de Balkenende-jaren. Het mist de echte politieke spanningen. We zijn er als lezer niet bij op de momenten dat er grote politieke beslissingen genomen worden; daarvoor moeten we immers bij het kabinet zijn.

Ondanks het gebrek aan echte inzichten en spanning, verdient Halsema veel respect voor haar boek. Eerlijk zijn over de twijfel en onzekerheid die haar keuzes steeds vergezelden doen weinig politici haar na. Bovendien zegt ze de politek vaarwel, op het moment dat ze zich realiseert dat ze niet meer weet wat toevoegt. Ze verlaat vrijwillig het pluche. Dit maakt Halsema, jaren na haar vertrek uit de Tweede Kamer, in ieder geval tot een dapper politicus.