“I’ve got to call them as I see them”

In de tweede helft van de jaren negentig las ik met veel plezier de artikelen en commentaren van Hendrik Jan Schoo in de Elsevier. Het was tevens de tijd van Pim Fortuyn – die dankzij hoofdredacteur Schoo een podium in ‘s lands grootste opinieblad had gekregen. Dat waren spannende tijden – en voor mij ook vormende jaren.

Een deel van die teksten lees ik nu terug, een kleine 10 jaar na Schoos ontijdige dood. De bepalende onderwerpen van toen zijn dezelfde als nu: integratie, islam, immigratie, nut en noodzaak van nationale identiteit, relatie tot de VS en Europa. Bij Schoo is de analyse echter steeds net verrassender dan bij veel van de opiniemakers die het debat thans bepalen. Zo ziet hij de strijd die in Europa woedt tussen de zegeningen van handel, vrijheid en kapitalisme aan de ene kant en de groeiende behoefte tot eigenheid (nationalisme) aan de andere kant als de botsing van de twee zielen die altijd al in Europa’s borst bestonden: de Verlichting en de Romantiek. Schoo concludeert dat de Verlichting het openbare leven moet bepalen en dat de Romantiek, als drager van het eigene, thuis beleefd dient te worden.

Schoo durfde stelling te nemen. Zo was hij helder over de gevaren van de radicale islam. Tegen de tijdsgeest in, waarin verklaringen voor het gedrag van radicale moslims vaak gezocht werden in sociale en economische omstandigheden zei hij: het is niet de schuld van de vruchtbare grond dat hij onkruid voortbrengt.

Hij verbaast zich daarbij dat Nederland, een klein land in alle opzichten, anders dan echte immigratielanden, nooit een debat heeft durven voeren over het aantal immigraten dat we politiek wenselijk vonden. Steeds ging het maar over integratie, met een nadruk op cultuur. Dit ‘culturalisme’ is een sta-in-de-weg geweest en diende vooral om onze ‘menselijkheid’ te ventileren. We leiden eerder aan een culturele zwakte, die het juist lastig maakt voor immigranten op te weten waarin ze moeten integreren. Nederland als tabula rasa.

Terugkerend thema is de overtuiging dat het niet gaat om wie je bent, maar wat je doet. Het lijkt een geweldige open deur, maar in deze tijd van identiteitspolitiek en verongelijkte bevolkingsgroepen, is het een welkome herinnering.

Hij ageert met een scherpe pen tegen de dubbele moraal en hypocrisie van de elite die het volk zaken als immigratie (goed voor de economie!) opdringt zonder deze op haarzelf van toepassing te laten zijn. Dit zag Schoo als de belangrijkste voedingsbodem van de Fortuynrevolutie die hij steevast duidt als ‘Opstand van de Burgers’. Schoo was van mening dat als links zijn aanhang terug wilde winnen van (populistisch) rechts het zijn anti-burgerlijkheid zal moeten afleggen. We moeten constateren dat het partijen als de PvdA en GroenLinks, waar deze Nieuwe Klasse, doorgaans te vinden is, nog steeds niet overtuigend is gelukt. De belofte van ‘principiële egalitarisme’ en zelfontplooing ligt al ruim een decennium bij rechts.

Schoo noemde zichzelf graag een sidewalk superintendant, een troittoiropzichter, die het publieke domein in de gaten houdt. Hij wilde de wereld duiden zoals ze was: “I’ve got to call them as I see them” zei hij dan. Dat deed hij met verve; erudiet, scherp en beleefd. Zijn analyses zijn nog steeds relevant. En bovendien beter geschreven.

 HJ Schoo, Republiek van vrije burgers, het onbehagen in de democratie – Bert Bakker, 2008

Lees hier ook Bart Jan Spruyts In Memoriam

En de mini-biografie “HJ Schoo, over leven, denken werk van een humaan radicaal realist“, belooft meer dan de kaft waarmaakt, maar weet toch het beeld van de man iets te verrijken.